Alomvattend: hoe pakken we de transitie aan?
“Je zou de transities in het onderwijs kunnen vergelijken met een perfecte storm”, zegt Joost, “maar dat klopt eigenlijk niet. Een storm is iets dat je overkomt. Wat er nu in het onderwijs speelt, is een zelf veroorzaakte crisis. Deels door wat we wel doen en deels door wat we niet doen.”
Het onderwijs kampt met demografische ontwikkelingen, afgeremde internationalisering en veranderende arbeidsbehoeften. Drie trends die tegelijk samenkomen. “Neem bijvoorbeeld de teruglopende studentenaantallen, deels het gevolg van de terugloop van internationale instroom van studenten, dat hebben we zelf veroorzaakt”, deelt Joost.
Demografische krimp creëert een situatie die om nieuwe vormen van samenwerking en zelfregie vraagt. “Het aantal studenten loopt fors terug, dus dat maakt dat het verleidelijk is om je eigen belang voorop te zetten, omdat je uiteindelijk ook de begroting rond moet zien te krijgen. En dat nodigt niet uit tot samenwerking.”
Beethoven doorbreekt dit patroon door extra middelen te bieden, zodat instellingen samen nieuwe instroom kunnen aantrekken en hun waarde propositie kunnen herijken. Daarnaast werkt het programma nauw samen met andere technieksectoren om niet onderling te concurreren, maar krachten te bundelen, zoals bijvoorbeeld in de ruimtevaartsector. In dit programma komen dus grote ontwikkelingen samen.
Hoe komt samenwerking het beste tot stand?
Allereerst gaan we in op de samenwerking, een thema dat vaak terugkomt. Volgens Joost is samenwerking het fundament voor toekomstbestendig onderwijs. De talentbehoefte in Zuid-Holland is groot en samenwerking helpt talent in de regio aan te trekken en te behouden; ook voor de technieksector in Zuid-Holland. Dat lukt alleen als je elkaar vaak ontmoet: de praktijk is belangrijker dan de strategie. “Je kan hier op papier dingen over schrijven, maar dat doet niks”, vertelt Joost. “Je moet met elkaar om tafel. Dat stimuleren we vanuit Beethoven.”
Beethoven is een industrie-geleide samenwerking waarin MBO, HBO en WO expliciet als gelijkwaardig wordt behandeld. Een sprekend voorbeeld is de gezamenlijke ontwikkeling van een cleanroom bij De Haagse Hogeschool: “MBO, HBO en WO-partners zitten fysiek met elkaar om tafel en nemen gezamenlijk verantwoordelijkheid voor het ontwerp van die cleanroom.” Dit eigenaarschap en gedeeld belang zijn essentieel om samenwerking op gelijkwaardige basis te organiseren.
Een ander voorbeeld is het idee voor een techniek-propedeuse waarin HBO- en WO-vakken worden gecombineerd tot één curriculum, zodat studenten kunnen ruiken en proeven aan twee verschillende onderwijsrichtingen en daarna weloverwogen kiezen wat ze willen gaan doen. Momenteel wordt een verkenning gedaan met collega’s van de hogeschool en universiteit. Die gesprekken leiden al tot veel nieuwe inzichten.
Wat zie je gebeuren in flexibilisering van het onderwijs?
Volgens Joost zijn er drie grote ontwikkelingen van invloed op het toekomstige Nederlandse onderwijsstelsel.
- Een hernieuwde nadruk op Leven Lang Ontwikkelen.
- Een herwaardering van de internationalisering van het onderwijs.
- Het sterker koppelen van onderwijs aan het verdienvermogen van Nederland in de toekomst.
Leven Lang Ontwikkelen (LLO) is al jaren een veelbesproken onderwerp en krijgt steeds meer aandacht. Binnen Beethoven ligt een nadrukkelijke focus op LLO. “Voor LLO maken we dankbaar gebruik van de jarenlange ervaring van de Zuid-Hollandse Human Capital Agenda. Je ziet de discussie over LLO langzaam veranderen. Het Ministerie van OCW onderzoekt zelfs of LLO een wettelijke taak kan worden voor bekostigde instellingen.”
Volgens Joost zal dit helpen om LLO te verankeren in het aanbod en de cultuur van scholen. Daarmee krijgt LLO een strategische positie in het onderwijsstelsel. Ook omdat er demografische krimp is in de ‘reguliere’ studentenpopulatie, dus de onderwijsvraag verschuift.
Een tweede belangrijke beweging is de herwaardering van internationalisering. De afgelopen jaren was er veel discussie over buitenlandse studenten die op ‘onze’ kosten studeren, waardoor het beleid erop gericht werd ze zo veel mogelijk buiten de deur te houden. Uit CPB-onderzoek naar de kosten en baten van internationale studenten blijkt echter dat internationale studenten veel meer opleveren dan ze kosten, waardoor het kostenargument van tafel verdwijnt.
Joost benadrukt: “We moeten juist internationalisering omarmen, omdat we ons strategisch willen positioneren als kenniseconomie en talent uit het buitenland daarvoor nodig hebben. De afgelopen tien jaar hebben we in een negatieve golf gezeten. Gelukkig begint dat nu weer positief te keren.”
Voor Joost is internationalisering richting 2035 cruciaal voor het hele hoger onderwijs, zowel voor de kwaliteit van onderwijs als de kwantiteit van instroom. Volgens hem heeft alles wat je in het onderwijs doet een internationale dimensie.
Als derde ziet hij de noodzaak om onderwijs sterker te koppelen aan het toekomstige verdienvermogen: Kennisgericht industriebeleid. Ook andere ministeries, zoals Economische Zaken en Defensie, leggen hier steeds meer focus op, vooral voor onderwijs, innovatie en onderzoek. Volgens Joost moet Nederland, om toekomstbestendig te zijn, niet alleen via OCW in onderwijs investeren, maar deze aanpak veel breder trekken. De groei van middelen begon zichtbaar te worden met het Nationaal Groeifonds en via Beethoven is dit initiatief nadrukkelijk opgepakt.
Het is positief dat er meer middelen beschikbaar komen voor het onderwijs, maar tegelijkertijd brengt dit vraagstukken met zich mee rond vrije studiekeuze, autonomie van onderwijsinstellingen en sturing van de overheid. Als iedereen achter tijdelijke financieringspotjes aangaat, ontstaan verkeerde prikkels in het stelsel. Daarom is het volgens Joost belangrijk hierover samen het gesprek te voeren.
Bij deze sturingsvraag maakt Joost de vergelijking tussen de wortel en de stok: creëer je extra mogelijkheden met meer geld, bijvoorbeeld via Beethoven, of beperk je de keuzevrijheid van studenten? Hij betrekt collega’s en studenten actief bij deze discussie, omdat hij ervan overtuigd is dat alleen de student zelf kan inschatten wat de juiste studiekeuze is. Tegelijkertijd zijn er wel degelijk mogelijkheden om een techniekstudie aantrekkelijker te maken. Die moeten we omarmen.
De drie trends die hij identificeert, leggen ook nadruk op flexibilisering van het onderwijs. De eerdergenoemde techniekpropedeuse is hier een goed voorbeeld van. Het vraagt om een nieuwe kijk op de binaire splitsing tussen het HBO en WO, waarbij over bestaande grenzen heen wordt gekeken. Ook LLO vraagt om anders kijken naar onze huidige diplomagerichte studies.
Wat zou er anders moeten om deze toekomst te realiseren?
Om vooruitstrevend te zijn is een cultuurverandering nodig. Samenwerking durven opzoeken én grote ambities op tafel leggen.
Leiderschap is volgens Joost een centraal thema om toekomstige uitdagingen aan te pakken. Leiderschap betekent koers durven zetten, zelf de regie nemen en accepteren dat pijnlijke keuzes onvermijdelijk zijn om het stelsel robuust te houden. De sector – zoals de technieksector – moet initiatief nemen. “Je moet je durven uitspreken waar je heen wilt en hoe je daar wilt komen. En we zijn als sector voor mijn gevoel nog wat afwachtend geweest, te bescheiden.”
Initiatief moet op alle niveaus plaatsvinden: van koepels en besturen tot en met de uitvoerende teams, en er moet ruimte geboden worden om te experimenteren. Alleen dan werkt cultuurverandering: bestuurlijk én uitvoerend.
Een onderdeel daarvan is accepteren dat transitie pijn kan doen. Zolang je maar zelf de touwtjes in handen hebt. De intrinsieke prikkel is het gezamenlijk voelen van de noodzaak. Zoals Joost het samenvat: “Een cultuurvraag is eigenlijk bij uitstek iets wat diffuus is en op heel veel manieren vorm krijgt. Mijn ervaring is dat het alleen werkt als je het op alle niveaus doet.”